jeudi 13 octobre 2011

Weerzien : Wat hebt gij gedacht en gedaan?"






























Liedje


Ik heb bij een korenveld gestaan.
   Ik heb de handen uitgestrekt
Naar het goud van het golvende graan.
O! dat ik die vreugde grijpen kon
Van het golvende graan in de gouden zon!
   Ik heb de handen uitgestrekt
   Naar de vreugd van het gouden graan.

Ik heb in het blanke maanlicht gestaan.
   Ik hief verlangende blikken omhoog
Naar den glans van de zilveren maan.
Ik hief het smeekende aangezicht
Naar de stille rust van het manelicht.
   O! dat ik den vrede grijpen kon
   Van die rustig stralende maan.

Ik hoorde des avonds den nachtegaal slaan.
   Ik strekte de dorstige lippen uit
Naar de klanken, die stervend vergaan,
Naar de golvende stroomen van jublenden klank,
Naar den zoeten weemoedigen liefdezang.
  O! dat ik de weelde drinken kon
  Der klanken, die stervend vergaan!











Jacqueline E. van der Waals
























































  Dagelijks meer eerzuchtig
En minder in staat tot iets groots,
  Telkens wanhopender roepend
Om kracht of de kalmte des doods,
  Dagelijks vuriger wenschend
Naar schoonheid, gezondheid en vreugd,
  Dagelijks ouder en bleeker,
En verder van blijdschap en jeugd -
  Ik zit in de bloeiende velden,
Die schittren van zonneschijn,
  En alles is jeugdig en vrolijk -
Ik schaam mij hier buiten te zijn!










Jacqueline E. van der Waals


















Sympathie


Ik klaagde met bleeke wangen,
   Ik klaagde met bloedend hart,
In roerend zoete zangen
   Den kleinen bloemen mijn smart.

De bloempjes schudden hun kopjes
   Weemoedig heen en weer,
Een regen van tranendropjes
   Viel uit hun kelkjes neer.

De blauwe violen hieven
   Den somberen blik tot mij op,
In 't oog der madelieven
   Trilde een flonkrende drop.

De kleine vergeet-mij-nieten
   Met àl te week gemoed,
Lieten hun tranen vlieten
   Zich badend in dien vloed

En zelfs de lelies, de hooge,
   Gewoonlijk zo trotsch en koel,
Pinkten uit hun oogen
   Een traan van medegevoel!


































Weerzien


Waarheen ik mijn blikken wende,
  Begroeten met vriendlijken lach
Mij dierbare oude bekenden,
  Die ik sinds jaren niet zag,
     Niet sinds dien zomerdag,
  Dien boven alle dagen,
     Toen mijn voeten mij
  Naar boven hebben gedragen,
     Naar deze alpenwei.

Met vragende blikken staren
  De bloemenoogjes mij aan:
"Hoe is het u al die jaren,
  O! menschenkind, gegaan?
  Wat hebt gij gedacht en gedaan?"
"Wat ik gedacht heb, mijn bloemen,
  Waar beter niet gedacht,
Ook durf ik mij niet te beroemen,
  Op 't geen ik heb volbracht."







Jacqueline E. van der Waals




























































































































































































Een verjaardag




Nooit hebben de rozen zoo schoon gebloeid,
  Nooit zag ik den hemel zóó blauw,
Nooit was het gras zóó blij getooid
  Met diamanten van dauw.
    Ik had een rose kleedje aan,
       En stond bij 't struikgewas.
  Een vogel zong een lied.  Hij dacht,
    Dat ik een roosje was!

Nooit heb ik het veld zóó onrustig gezien.
  Ik liep door het golvende graan,
Daar heb ik den brievenbesteller ontmoet;
  Ik sprak hem even aan....
     Ik had een roode blouse aan,
        Met groote, zwarte das.
  Er was een kleine bij, die dacht,
     Dat ik een klaproos was!

Nooit is mij de eenzaamheid zóó zoet,
  Zoo vol vertroosting geweest,
Ik stond alleen in den maneschijn
  Na afloop van het feest.
     Ik had een wit japonnetje aan
        En stond in 't hooge gras.
  Een vlinder kuste mij goeden nacht
     Alsof ik een lelie was!











Jacqueline E. van der Waals


























































0 commentaires: